Palmolieplantages in Borneo drijven orang-oetan in het nauw

De enorme toename van palmolieplantages op Borneo zorgt voor verlies van leefgebied voor orang-oetans en dwergolifanten. Met hulp van IUCN NL is een verbindingszone tussen versnipperde stukken oerwoud gemaakt zodat de apen en de olifanten meer kans op overleven hebben.

Probleem

Sabah, het Maleisische deel van het Aziatische eiland Borneo, bestond ooit bijna volledig uit oerwoud. Tegenwoordig helaas niet meer: in de afgelopen decennia zijn enorme stukken bos gekapt om palmolieplantages aan te leggen. De productie van palmolie – dat we in de supermarkt terugvinden in onder andere koek, tandpasta en cosmetica – is in Maleisië gestegen van 1,3 miljoen ton in 1975 naar 17,7 miljoen ton in 2009. Maar liefst 20 procent van Sabah’s grondgebied wordt inmiddels gebruikt voor palmolieproductie. Dit is desastreus voor de orang-oetan, de Borneose dwergolifant, en andere wilde dieren die in de oerwouden van het eiland leven. Hun leefgebied wordt steeds verder ingeperkt en raakt bovendien meer en meer versnipperd. In deze kleine stukjes geïsoleerd bos is het moeilijker voor de dieren om aan voldoende voedsel te komen. Ook is de onderlinge concurrentie en de kans op inteelt groter, wat uiteindelijk kan leiden tot uitsterving van soorten. Volgens de Rode Lijst is de dwergolifant met zo’n 1.000 overgebleven dieren al ernstig bedreigd.

Aanpak

Met steun van IUCN NL en het Britse World Land Trust heeft de lokale partnerorganisatie LEAP (Land, Empowerment, Animals, People) in 2009 een stuk oerwoud aangekocht van 90 hectare. Dit gebied vormt een verbinding tussen gefragmenteerde stukken bos. Door de aankoop maakt het gebied nu onderdeel uit van het Lower Kinabatangan wildreservaat waarmee het land verzekerd is van een goede bescherming tegen palmolieboeren. De aankoop is gedaan binnen het SPN-programma van IUCN NL (Small Grants for the Purchase of Nature).

Resultaat

De verbeterde verbinding tussen de geïsoleerde stukjes bos zorgt ervoor dat de olifanten, apen en andere beesten zich over een groter gebied kunnen verspreiden. Dit biedt hen meer ruimte voor voedselverzameling en beschutting. Bovendien stimuleert dit de genetische uitwisseling met groepen uit andere gebieden. Voor het voortbestaan van deze soorten is dit van groot belang.

DeelPagina delen met AddThis